home


Intergemeentelijk samenwerkingsverband voor milieu

Zuid IIIIndustrielaan 189320 Aalst (Erembodegem)T (053) 83 88 48F (053) 83 44 22info@ilva.beRoute

Informatie AFVALKALENDER I NIEUWSARCHIEF I SITEMAP      

Beschikbare info

 Afval storten is meer dan een put vullen.
 
 
Algemeen
De Stortplaats
Sinds begin jaren 80 baat ILvA te Vlierzele een stortplaats uit. Aanvankelijk stond deze in voor de verwerking van alle huishoudelijk afval opgehaald in de steden en gemeenten die toendertijd deel uitmaakten van wat toen nog de ‘Intercommunale Land van Aalst’ was. Gaandeweg evolueerde de stortplaats mee met verschillende trends en wetgeving. Zo werd in 2004 de laatste ton huishoudelijk afval gestort en wordt momenteel nagenoeg enkel nog bedrijfsafval verwerkt.
 
Ligging
 
Zoals hierboven vermeld is de stortplaats gelegen langsheen de autosnelweg E40 te Vlierzele (tussen afrit Wetteren en afrit Erpe-Mere), een deelgemeente van Sint-Lievens-Houtem. Het totale oppervlak van de site bedraagt 32 hectare waarvan het overgrote deel reeds volstort en afgedekt is. De stortplaats is niet in één geheel ingericht maar werd telkens in verschillende fases uitgebreid. Anno 2008 is de exploitatie aanbeland in fase V en ook vandaag nog gaat de exploitatie in deze fase verder.
 
Fasering
Door de jaren heen is het terrein telkens in fasen ontgonnen en vervolgens ingericht als stortplaats, te beginnen bij fases A en B en eindigend bij fase VI. Een overzicht van de verschillende fases vindt u op onderstaande figuur.
 
In de onderstaande tabel wordt de oppervlakte, de initiële capaciteit en de status van de verschillende fasen weergegeven.

Fase
Oppervlakte
Capaciteit
Status
A
3,81 ha
295.000 ton
afgewerkt sinds 1993
B
2,87 ha
231.500 ton
afgewerkt sinds 1993
I
4,58 ha
498.300 ton
afgewerkt sinds 2001
II
4,74 ha
567.126 ton
afgewerkt sinds 2001
III
3,77 ha
646.547 ton
afgewerkt sinds eind 2005
IVa
2,70 ha
335.322 ton
afgewerkt sinds medio 2008
IVb
1,98 ha
320.000 m³
niet volgestort, stortactiviteiten tijdelijk beëindigd
V
1,93 ha
290.000 m³
huidige stortexploitatie
VI
2,25 ha
410.000 m³
huidige zandontginning
Totaal
28,63 ha
 
 

 
Fases A, B, I, II, III en IVa werden reeds volledig volgestort, afgedekt en ingezaaid met gras.
 
Fase IVb is bijna volgestort. Bovenop deze fase zijn de afgegraven gronden (teelaarde en bovenste grondlagen) van fase IVb, V en VI gestapeld. De bedoeling is om deze gronden aan te wenden bij de uiteindelijke eindafdekkingswerken voor zowel fases IVb, V en VI. Volgens VLAREM moet de eindafdek van de deponie immers worden gerealiseerd met de oorspronkelijk uitgegraven grond. Er diende dus een oplossing gevonden te worden voor de tijdelijke opslag van de grond te gebruiken voor de definitieve afdek en tussenafdek van de fasen IVb, V en VI. Die grond moest dus ergens op het terrein worden opgeslagen. Omdat er van zodra met de uitgraving van de laatste zandwinningsput wordt begonnen, er op de vergunde zone geen stockageruimte meer beschikbaar is, werden reeds volgestorte zones hiervoor aangewend.
 
Grote hoeveelheden grond en/of zand stockeren op de afgewerkte delen kan voor gevolg hebben dat de gas- en drainageleidingen worden beschadigd en scheuren in de HDPE-folie van de eindafdek veroorzaken, en is dus geen oplossing. Daarom werd besloten om de uitgegraven grond uit de fasen V en VI tijdelijk te stockeren op de nog niet volledig volgestorte fase IVb. Daarnaast is het praktisch noodzakelijk voor de toegang tot fase V om de aanvoerende vrachtwagens via zone IVb naar fase V te sturen.
 
De restcapaciteit van fase IVb bedraagt 10.000 m³. Momenteel ligt op fase IVb echter ongeveer 60.000 m³ grond voor de eindafdek van fase IVb, V en VI gestapeld. Hierdoor zal het onderliggende stortvolume bijkomend verdicht worden. Als we uitgaan van een verdichting van ongeveer 10% betekent dit dat in fase IVb een bijkomende restcapaciteit kan gecreëerd worden van ongeveer 30.000 m³. De totale restcapaciteit van fase IVb bedraagt bijgevolg 40.000 m³.
 
Fase V is sinds 10/06/2008 in gebruik als stortplaats. Het opvullen van fase V verloopt veel trager dan voorzien. Zoals uit onderstaande grafiek blijkt is de aanvoer van afval de laatste jaren stelselmatig gedaald. Dit is onder andere het gevolg van de sterk verminderde afwijkingen op het stortverbod die worden toegestaan door OVAM.
 
De voornaamste afvalsoorten die worden aangevoerd op de stortplaats zijn onder meer gesorteerd bedrijfsafval, bouw- en sloopafval, bodemasse van huisvuilverbrandingsinstallaties, inerte materialen, recyclageresidu’s uit papier- en textielrecyclage en cementgebonden asbest.
 
Openingsuren
 
De ILvA stortplaats is toegankelijk voor geregistreerde klanten op maandag, donderdag en vrijdag telkens van 7.45u tot 12.00u en van 12.30u tot 16.15u.
 
Inrichting
Zandwinning
 
Alvorens een nieuwe fase kan worden ingericht als stortput dient er eerst een put te zijn. Hiervoor werkt ILvA samen met een bedrijf dat over heel België heel wat ontginningen uitbaat waarvan de grondstoffen worden ingezet in de bouwnijverheid voor onder meer bakkerijen van baksteen en dakpannen. Op de site te Vlierzele wordt hiervoor voornamelijk het onderliggende zandpakket gebruikt. De bovenliggende leemlaag en dekgronden worden ter plaatse gestockeerd en later aangewend voor het realiseren van de eindafwerking van de stortplaats.
 
Klei-folie-lekdetectie
Bij het begin van de inrichting van een nieuwe stortput wordt eerst alle resterende zand van de bodemgeschraapt tot de van nature aanwezige kleilaag komt bloot te liggen. Hierop wordt vervolgens een drainagesysteem aangelegd dat een vlotte doorstroming van het grondwater onder en langsheen de nieuw in te richten put moet garanderen. Vervolgens worden de zijkanten, waar van nature geen kleilaag aanwezig is, bekleed met een kleilaag van minimaal 0,5 m dik. Bovenop deze kleilaag en de klei op de bodem wordt dan een kunststoffolie (HDPE) aangebracht. Deze folie heeft een dikte van 2,5 mm en wordt nauwkeurig aan elkaar gelast. Op deze manier wordt een waterdichte kuip gecreëerd waarbij het risico van enig contact tussen het grondwater en het gestorte afval minimaal is.
Om eventuele lekken of slechte lasverbindingen in de kunststoffolie op te sporen wordt tussen de kleilaag en de folie een netwerk van sensoren aangelegd, het zogenaamde lekdetectiesysteem. Dit systeem werkt als volgt: in de stortmassa kan via twee elektroden een stroompuls worden gegenereerd. Indien er een lek zou zijn in de folie kan deze stroompuls doorheen dit lek waargenomen worden door de sensoren onder de folie. Op deze manier kan dan in kaart gebracht worden waar het lek zich bevindt en kunnen de nodige herstellingen uitgevoerd worden. Hieronder ziet u een meetrapport van dit lekdetectiesysteem waarop alle sensoren aangeduid staan. Indien een lek optreedt kleuren de sensoren rood en zullen ook de coördinaten worden weergegeven waar het lek zich vermoedelijk bevindt.
 
Bovenop de kunststoffolie wordt opnieuw een drainagesysteem aangebracht. Ditmaal om alle water dat zich in de stortput verzamelt op te vangen en af te leiden naar één centrale pompput vanwaar het zogenaamde percolaat naar de waterzuiveringsinstallatie wordt gepompt.
 
Als laatste stap wordt de folie ter bescherming bedekt met een pakket zand en kan, indien de bevoegde overheden de put conform verklaren, begonnen worden met de opvulling.
 
Exploitatie
De aanvoer van afvalstoffen (over de openbare weg door middel van vrachtwagens. Het betreft aanvoer van verschillende producenten die hiervoor een overeenkomst hebben afgesloten met ILvA. De aanvoer gebeurt of door de producent zelf of door een transporteur in opdracht van de producent. De afvalstof(fen) die mogen aangevoerd worden en de maximale aan te voeren hoeveelheid op jaarbasis per afvalstof zijn via deze overeenkomst vastgelegd. Een beperkende afwijking op het stortverbod ligt aan de basis van deze quota per producent.
 
De vrachtwagens die afval aanvoeren rijden de site op via de hoofdingang langs Bussegem en dienen zich eerst aan te melden. Dit gebeurt via een badge eigen aan het voertuig die in de badgelezer bij de weegbrug wordt ingevoerd. Daarna dient de transporteur zich binnen aan te melden met de vereiste documenten. Deze documenten vermelden naast het voertuig en de transporteur (reeds geregistreerd via de badge) ook de producent en de afvalsoort. Deze gegevens worden ingegeven in de computer die automatisch nagaat of de producent de betreffende afvalsoort mag afvoeren. Daarnaast worden ook de overige documenten gecontroleerd (o.a. verklaring geen afvoermogelijkheden via verbranding, CMR, …). Als alle documenten in orde zijn, wordt de vrachtwagen vol gewogen en mag hij doorrijden ofwel rechtstreeks naar de stortput ofwel naar de wachtparking als er nog een andere vrachtwagen in de stortput aanwezig is.
 
In de stortput wordt de vracht eerst, zoals voorgeschreven, visueel gecontroleerd. Bij calamiteiten zal de vracht geweigerd worden. Indien alles in orde is met het aangevoerde afval mag de vrachtwagen zijn lading lossen op een aangewezen plaats. Vervolgens wordt een 55 ton zware vuilverdichtingsmachine met aangepaste schapenpootwielen ingezet om het afval zo efficiënt mogelijk te verdichten. Er wordt getracht om een hierdoor resulterend soortelijk gewicht van minimum 1 ton/m³ te bereiken.
 
Elke fase was oorspronkelijk ingedeeld in stortvakken van elk ongeveer 50 bij 50 meter. Voor de opvulling van de stortput wordt echter een voortzetting van de huidige vergunde werkwijze aangevraagd, waarbij een voortschrijdend stortfront wordt verkozen boven afgelijnde stortvakken. Virtueel zullen er nog steeds stortvakken zijn, die enkel op papier zullen worden gehanteerd om onder meer afvalstromen in de tijd te kunnen lokaliseren (zoals voor het gasvalorisatieproject nuttig bleek te zijn).
 
Het cementgebonden asbest, aangevoerd in dubbelgesloten bigbags, wordt enkel in de daarvoor voorziene stortzones gestort. Nadien wordt alles afgedekt met grond en assen. Ter bescherming van het personeel, de aanvoerder en de buurt, is een sproei-installatie aanwezig die (bij het lossen van een lading asbest) continu water vernevelt om zo de verspreiding van de asbestvezels, die ondanks de verpakking in bigbags toch nog zouden vrijkomen, te voorkomen.
Na het afladen van de afvalstoffen begeeft de aanvoerder zich terug naar de weegbrug om nogmaals gewogen te worden. Bij modderige omstandigheden worden de aanvoerende vrachtwagens verplicht door de wielwassing geleid, zodat de wegen in de onmiddellijke buurt niet worden bevuild.

Om zwerfvuil, stof- en geurhinder te voorkomen wordt iedere stortlaag op het einde van een werkdag bedekt met een tussenafdek bestaande uit grond, verbrandingsasse of geotextiel.
In droge weersomstandigheden kan bovendien stofhinder ontstaan. Om dit te voorkomen wordt een sproeisysteem worden ingezet, met hergebruik van gezuiverd percolaatwater in de fase die als stortplaats worden benut en met gebruik van hemelwater en/of leidingwater in fase VI. Eventueel kan ook een veegwagen ingezet om de verhardingen vooraan te vegen.
Alhoewel de aanwezigheid van ratten of ander ongedierte doorheen de jaren schaars bleek (gelet op het aantal sporen ervan in en om de rattenbakken) worden toch maatregelen genomen om deze dieren te bestrijden door het plaatsen van rattenbakken langs de randen van de deponie. Ook hier geldt trouwens dat de aantrekkingskracht voor dergelijke dieren in het algemeen zal afgenomen zijn bij schaarste aan eetbare afvalstoffen.
 
Afwerking
Technisch
 
Eens de stortput volstort is dient deze te worden afgesloten. Hierbij gaat men als volgt te werk: eerst wordt alle afval, asse en stenen afgedekt met een pakket zand of grond. Hierbovenop wordt dan een kleilaag aangebracht en vervolgens een kunststoffolie van alweer 2,5 mm dik. Zo krijgt de vloeistofdichte kuip een vloeistofdicht deksel en kan het afval als volledig geïsoleerd worden beschouwd. Bovenop de folie komt dan een drainagelaag en grond. De totale dikte van deze twee laatste lagen bedraagt minimaal 1,5 m. Het volledige terrein wordt nadien ingezaaid en eens het gras voldoende gegroeid kunnen de schapen erop los gelaten worden. Hiertoe heeft ILvA een overeenkomst met een schapenhoeder gesloten. Tijdens de zomermaanden kunne zo tot 500 schapen de afgewerkte fases begrazen.

Stortgasvalorisatie
 
De anaërobe gisting van opgeslagen organisch materiaal in de stortplaats doet biogas ontstaan dat voor een belangrijk deel bestaat uit methaan. Dit gas dient opgevangen om ontploffingsgevaar te vermijden. Het kan gewoon worden afgefakkeld of, zoals hier gebeurt, via een gasmotor te worden gebruikt om elektriciteit te produceren.
Voor een optimale gasonttrekking in een bestaand afvalpakket en met de voorziene bovenafdichting is een systeem van verticale bronnen het meest geschikt. Door de laagsgewijze opbouw van het afvalpakket doorsnijden de verticale gasbronnen in principe het gehele afvalpakket. De gasbronnen worden gegraven met behulp van een poliepgrijper. Deze methode heeft in vergelijking met een geboorde bron het voordeel dat de schachtwand een goed doorlatende structuur heeft, hetgeen bevorderlijk is voor het noodzakelijke gastransport (weinig drukverlies).  In de schacht wordt een geperforeerde pijp geplaatst omhuld met grind die wordt aangesloten op het onttrekkingssysteem. 
 
De onderlinge afstand tussen verticale gasbronnen bedraagt 60 à 70 m. Uit proeven en ervaringen blijkt dat zo een goede dekking van het afvalpakket wordt bereikt. In totaal zijn voor de fase A, B, I, II, III en IVa 37 bronnen voorzien.
 
De bronnen worden met behulp van aansluitleidingen per groep verbonden met een centraal punt waar ze individueel worden geregeld. Iedere bron heeft op de bronkop bovendien een aansluitmogelijkheid voor monstername van het gas en een regelklep. Het gas uit de gasbronnen wordt via een pijpleiding getransporteerd naar 5 verzamelkisten van waaruit het verder getransporteerd wordt naar het gasstation.
Het gastransport wordt gerealiseerd door het creëren van een onderdruk middels een ventilator of compressor. Dit gas dient uit veiligheidsoverwegingen continu gecontroleerd op zuurstofconcentraties zodat de onttrekking bij een toenemend zuurstofgehalte kan stilgelegd worden. Bij hoge zuurstofconcentraties kan immers een explosief mengsel ontstaan. Hiertoe wordt een veiligheidsafsluiter in de onttrekkingsgeleiding opgenomen.
 
De gasmotoropstelling bestaat uit twee containeraggregaten, zodat rekening kan worden gehouden met een sterk variabele hoeveelheid gas. De installatie draait in volledig automatisch en wordt vanop afstand bestuurd. Via het voedingsgedeelte van de schakelinstallatie en de netkoppelingsschakelaar komt het geproduceerde elektrisch vermogen op het distributienet. Op deze manier wordt groene energie aan het net geleverd.
 
Waterzuiveringsinstallatie
 
Het afvalwater wordt verzameld in een influentbuffer. Vanuit deze buffer wordt het water geleidelijk aan verpompt naar de biologische afvalwaterzuivering. Het eerste deel van deze biologische waterzuivering bestaat uit twee bekkens waarbij het afvalwater continu van het ene naar het andere bekken wordt gepompt. Het ene bekken wordt hierbij voorzien van zuurstof (aeobie), het andere niet (anaerobie). In deze biologische bekkens wordt een mengsel van bacteriën (actief slib) gekweekt. Deze bacteriën voeden zich met de in het water opgeloste organische verontreiniging (COD) en nutriënten. Netto resultaat is transfer van organische verontreiniging naar een aangroei van slib en een emissie van CO2.
Een belangrijke vervuilende component in het percolaatwater is ammonium. In het aerobe bekken wordt het in het afvalwater aanwezige ammonium omgezet tot nitraat.
Vanuit de aerobie  wordt de nitraatrijke stroom aan een hoog debiet (450 m³/u) terug naar de anaerobie verpompt. Hierin wordt de gevormde nitraat in afwezigheid van zuurstof en onder toediening van een externe koolstofbronbron (azijnzuur of ethyleenglycol), terug gereduceerd tot vrije stikstof en zuurstof. Op die manier wordt een netto stikstofreductie bewerkstelligd. De vrijgekomen zuurstof wordt verbruikt door bacteriën. Deze recuperatie zorgt voor energiebesparing. Het stikstofgas ontwijkt naar de atmosfeer.
 
Vanuit de aerobie wordt een deelstroom verpompt naar een postdenitrificatie reactor (40 m³ - nieuw gebouwd bekken). Door toediening van de externe koolstofbron worden hier de laatste restjes nitraat verwijderd.
Het slib/watermengsel uit de postdenitrificatie reactor stort over naar de membraanbioreactor. In deze reactor staan semi-permeabele membranen ondergedompeld. Deze membranen filtreren af op een poriëndiameter van 0,1 tot 0,4 micron. Door het aanbrengen van een onderdruk aan de zuigzijde van de membranen wordt het gezuiverde afvalwater door de membranen getrokken. Het zuiveringslib (bacteriën) wordt weerhouden in de membraanbioreactor en via een overstort teruggestuurd naar de nitrificatiereactor. Het gezuiverde afvalwater wordt verpompt naar de effluentbuffer.
Vanuit de effluentbuffer kan het gezuiverde afvalwater drie richtingen uit:
-          Of naar een nageschakeld systeem van actief kool filters voor verdere nabehandeling.
-          Of rechtstreeks via een overstort naar de effluentgoot in geval de kwaliteit van het water reeds voldoet aan de lozingsnorm
-          Of via een sproeipomp terug uitgesproeid over de stortplaats om stofhinder te voorkomen.
 
Jaarlijks wordt zo 15 à 20.000 m³ percolaatwater gezuiverd. Het gezuiverde water komt uiteindelijk in het oppervlaktewater terecht.

Hieronder kan u deze tekst downloaden, aangevuld met foto's.

 



>> Downloadbestand




<< Terug